en de vrouw Duits met elkaar spreken. De business is hier in handen van buitenlanders. Schoten, ver bij ons vandaan, weerkaatsen honderdvoudig tegen de rotswanden van het Andesgebergte. Posadas en Diego stellen mij lachend gerust. Morgen, op de 13e april 1953, wordt hier in La Paz de eerste verjaardag van de nationale revolutie gevierd. Demonstranten uit verre streken, die in de hoofdstad geen slaapplaats kunnen vinden en zich nu in de bergen eromheen ophouden, geven acte de présence.
Ik heb een nieuw pak nodig, houden Posadas en Diego mij voor. Zij hebben al een afspraak met een kleermaker gemaakt. Om het geld hoef ik mij geen zorgen te maken.
De demonstranten drommen onstuimig door de straten van La Paz als een rivier die zich uit de bergen omlaag-stort. Een Indiaan blaast, starend als in een droomtoestand, op een panfluit die hees-schrille geluiden voortbrengt. Bijna allemaal zijn zij gewapend met zelfgemaakte geweren van elk kaliber en met primitieve vormen. Een jonge arbeider schiet zijn geweer af in de lucht, waarop iedereen vrolijk lacht en zijn voorbeeld volgt. Indiaanse vrouwen, meest textielarbeidsters, met bolhoeden op, dragen aan een slip de nationale driekleur. Een van hen heft aan: 'Leve het vaderland', en de stoet valt in: 'Qué viva.' 'Leve de regering.' 'Qué viva.' Een meisje met een rode vlag roept met zingende stem: 'Leve het internationale proletariaat.' Ik zou haar willen omhelzen, en het 'qué viva' is nog niet verstomd of zij schreeuwt het uit: 'Leve de martelaren van Chicago. Qué viva. Abajo el imperalismo yankee. Abajo.' Socialistische liederen worden niet gezongen. Het volkslied, daar houdt het mee op.
Een groepje Indiaanse boeren draagt een banier: 'Ex-
250