Maar daarvoor moet ik eerst werk hebben. En ook om Bep en de kinderen te kunnen laten overkomen, want zelfs nu Alfonso met een ijscokarretje aan het strand staat, is het voor de kameraden een te grote belasting steeds opnieuw geld bijeen te moeten brengen. Ik ontmoet een Nederlander die mij wel aan een betrekking kan helpen, en die mij op een zondagmiddag meeneemt naar een Nederlandse familie. Ben ik zomaar naar Uruguay gekomen? Op de bonnefooi? Op de vlucht voor het oorlogsgevaar? Zij kunnen het nauwelijks geloven. Heb ik mij bij het consulaat gemeld? Nee? Dat moet ik wèl doen. Even later komt een schneidige figuur binnen met groenblauwe ogen. Hij kust de vrouw des huizes de hand, maakt een lichte buiging als hij zich voorstelt. Hoor ik het goed? Starhemberg? Zou hij de man zijn van de contrarevolutionaire putsch in Oostenrijk? Ik durf het niet te vragen, en luister aandachtig als hij vertelt hoe moeilijk zij, officieren in het Oostenrijkse leger, het onder Hitier hadden. Hij was bij de cavalerie. Aanvallen tegen het Rode Leger betekende: Hitier helpen. Terugtrekken daarentegen steun voor de Roden. En dus probeerden ze hun posities voortdurend te stabiliseren. Even later krijg ik een briefje voor een bankinstelling waar Nederlanders werken. Ook word ik verwezen naar de Nederlandse paters. Ik mag altijd bij de familie terugkomen. Maar als ik ze een week later voor in de bus zie instappen, ga ik er gauw door de achterdeur uit, want er is een brief van Michel gekomen dat ik eerstdaags naar Bolivia moet, om daar Posadas te treffen. Dat kan ik die Nederlanders moeilijk vertellen. Er dient een goede samenwerking tussen Posadas en mij te komen, zo heeft Michel in zijn brief onderstreept. Ik lees bezorgdheid uit zijn woorden.
240