Na het weekeinde ga je naar de chacra, waar Hugo's ouders nu niet zijn. Tussen de sinaasappelbomen waag je je in de zon, en je zwerft voor dag en dauw door de stad.
Carla heeft een kamertje voor mij gevonden bij een Oostenrijks echtpaar. Geknield in een bruin katoenen werkpak, dat ik gekocht heb om mijn enige pak te sparen, dweil ik de vloer van de huiskamer, en schil de aardappelen, als tegenprestatie voor het lage kostgeld dat Carla voor mij heeft bedongen.
Op mijn kamertje geeft Carla mij nu driemaal per week Spaanse les. Ongemakkelijk zitten we naast elkaar. Een haastig teruggetrokken hand, schichtig afgewende ogen. Om er geen misverstand over te laten bestaan verzekert ze mij, dat een man weliswaar zijn necesidades, zijn behoeften heeft, maar dat zij als medewerkster van Posadas aan zulke gevoelens niet kan toegeven.
Sonia, de vrouw des huizes, nodigt mij uit, samen met haar boodschappen te gaan doen op de markt, en laat mij de tassen dragen. In de overvolle stadsbus staan de passagiers gedisciplineerd in de middengang tussen de zitplaatsen. Rug aan rug. Mij ontgaat dit evenwel. Sonia snauwt tegen mij dat ik niet eens weet hoe ik in de rij moet staan.
Overdag ontvlucht ik het huis, dwaal opnieuw door Montevideo, loop een tentoonstelling binnen waar gewaarschuwd wordt voor geslachtsziekten. Ik ril bij het bekijken van de foto's, en hunker naar de warmte van Bep.
Waarom komt er al weken geen post van Bep? Tweemaal daags ga ik naar het hoofdpostkantoor om te informeren. 'Poste restante?' vraagt de beambte automatisch. Mijn naam kent ze al uit het hoofd. En ja hoor, daar tovert ze zes brieven te voorschijn.
Ik loop stad en land af voor een verblijfsvergunning.
239