om naar het hotel te gaan. Als men mij maar niet om geld vraagt, want ik krijg het pas maandag, heeft Alfonso mij aangekondigd. Zal ik wachten tot de hoteleigenaar met de rekening naar mij toe komt? Ik stap op hem af en verzeker hem dat de bank gesloten was. Maandag zal ik betalen.
Ik laat mij zo min mogelijk zien, en zwerf door Montevideo, waar alle straten op de Rio de la Plata uitkomen, de brede monding van twee grote rivieren, die geleidelijk overgaat in de Atlantische Oceaan. Mijn avondmaal gebruik ik op de markt met een kilo bananen en twee enorme sinaasappels. Het is Kerstmis 1952.. Sneeuw van watten in de winkels, en een brandende zon buiten die je de adem afsnijdt. Als Alfonso maandag in godsnaam maar geld heeft. Ik kan geen verhaaltjes blijven verzinnen of langs de portier sluipen. Wat moet er op die manier van mijn opdracht terechtkomen? Waarvan moet ik Bep geld sturen? Hoe kan ik goed werk verrichten als niemand zich aan zijn woord houdt en het een grote rotzooi wordt, ook in mijn verhouding tot Bep, die het toch al moeilijk genoeg heeft? Hoe kan ooit het Latijns-Amerikaans Bureau worden gevormd als Posadas maar niet komt opdagen en ik van Alfonso afhankelijk blijf? Om nog te zwijgen van het belangrijkste van alles: de voorbereiding van de eventuele vestiging van het Internationaal Secretariaat in Latijns-Amerika. Zelf loop ik zonder peso op zak. Opgeven doe ik het ook niet, ik maak me nog liever van kant.
Alfonso laat zich nu helemaal niet meer zien. Ik moet en zal hem spreken. Zo kan het niet doorgaan. Tegen zijn uitdrukkelijk verbod in zoek ik hem thuis op. Het is siësta, ik tref hem in bed aan, waar hij gezellig ligt te vrijen. Ik moet een adres van een partijgenoot hebben om er te wonen, in het hotel kan ik niet blijven.
2.34