Ik wacht in de stromende regen. Het is half elf geweest, Alfonso laat zich nog steeds niet zien. Het strand ligt er verlaten bij. Vijf politieagenten in het wit, die over de badgasten moeten waken omdat ze niet te ver in zee mogen en omdat ze - de mannen - in hun zwembroekje een lap moeten hebben die hun geslacht verbergt, zitten druk te praten bij een wachthuisje. Soms neemt een van hen mij even op. Dan loop ik quasi onverschillig heen en weer terwijl ik angstvallig oplet of Alfonso er niet aankomt. Twaalf uur. Zal ik weggaan? Zonder verdere afspraak, zonder enig adres behalve dat van een postbus en zonder geld voor het hotel? Zou ik Alfonso verkeerd begrepen hebben? De afspraak was anders duidelijk genoeg. Eindelijk, een half uur later, mompelt Alfonso een gejaagde verontschuldiging. 'Zoiets moet je niet meer uithalen', blijf ik nog even kalm, maar dan, ineens driftig, voeg ik eraan toe: 'Ik moet je adres hebben, anders ben ik helemaal nergens.' Geeft hij dat niet aan mij? Maar ik ben hier voor het Internationaal Secretariaat, ik móet het hebben. Nee? Dan zal ik het aan Michel schrijven. Maar hij geeft het al en zegt nadrukkelijk: 'Je mag er geen gebruik van maken.'
In een café, nog nooit heb ik zoveel vliegen uit mijn ogen gewreven, krijg ik geld voor het hotel. Een kameraad uit Montevideo zal me tweemaal per week Spaanse les geven. Posadas zal nu wel gauw komen. In de krant staat dat het geschil spoedig zal worden opgelost. Ik weet niet meer of ik Alfonso kan geloven. De angst is mij om het hart geslagen, bij zoveel onverschilligheid. Het moet aan mij te merken zijn, want nu gooit Alfonso het over een andere boeg. 'Heb je gelezen over de processen in Praag? Het is één grote vuiligheid. De heren zijn bezig hun zelfcontrole
232