dat Bep en de kinderen ook overkomen, zal alles veel gemakkelijker zijn.
Vandaag, 19 november, is de sterfdag van mijn zusje. Vroeger heb ik daar minder aan gedacht dan tegenwoordig. Ik geloof dat haar dood een grote invloed op mijn leven heeft gehad, en vraag me voor de zoveelste keer af waarom, en hoe. Kan ik nu nog verdriet hebben om iets wat bijna een kwart eeuw geleden is gebeurd? Het kan haast niet. En steeds weer komt de herinnering aan de tijd dat Saartje met vader en moeder meeging om bij onze grootouders in de Foeliedwarsstraat te wonen, omdat het huis van vader wegens zijn bankroet was verkocht en we geen onderdak meer hadden. Maurits en ik werden bij een oom en tante ondergebracht. Ik moet zes jaar zijn geweest. Het is een vaag beeld, en wat nu overheerst is een gevoel van grote droefheid. Heb ik me toen uitgesloten gevoeld? En heeft Saartje mij later door haar dood voor goed uit haar leven gesloten? Heeft het me boos gemaakt? Op haar? Op de hele wereld? Gelukkig zal ik eerstdaags geen tijd meer hebben zo met mezelf bezig te zijn, en me oplossen in de taak die mij wacht. Morgen is Bep jarig. Elke dag schrijf ik een brief aan haar en de kinderen, om toch nog een beetje bij ze te zijn, en om ze moed in te praten.
Weer loop ik vruchteloos te zoeken, ditmaal langs de kade van Rio de Janeiro, naar een vriend die me in Latijns-Amerika zou verwelkomen. Hij is in een brief van mijn komst op de hoogte gesteld. Wachtenden kijk ik hoopvol aan, totdat ze zich omdraaien. Gelukkig heb ik zijn adres. Ik vraag iemand de weg, die me zowaar Braziliaans geld geeft voor de tram.
Mijn gastheer woont in een oud, koloniaal huis, en is als intellectueel in heel Latijns-Amerika beroemd. Elke intel
229