Een Fransman is bang dat ik me niet staande kan houden en zegt tegen de steward dat hij me goed moet bedienen. Paters slepen met hun zwarte rokken langs het dek. Italiaanse en Spaanse meisjes, behaagzuchtig en mooi, worden angstvallig door hun ouders bewaakt. Een Franse arbeider, op weg naar Dakar, zegt: 'In Frankrijk geen nieuwe wereldoorlog meer, dan komt er revolutie.' 'Nog erger', verzucht een dikke Syriër. De Zuidamerikanen zien me soms aan voor een van hen, maar met het Spaans uit het Assimilboekje kan ik me nog niet redden. Een Duitse vrouw klampt mij aan. Zij heeft er een voorgevoel van gehad dat er in Marseille iets met het schip zou gebeuren. Het brok cement in de scheur stelt haar niet gerust.
Gewoontes, die bij ons voor joods doorgaan, hebben, ontdek ik nu, een zuidelijke oorsprong. De Zuiderlingen zijn kinderlijker, dat wel. Zij maken simpele grapjes, trekken iemand aan zijn jas, presenteren een knalsigaret en hebben de grootste lol.
Een Duitse jongen, uit mijn hut, schaamt zich voor wat onder Hitier is gebeurd. Hij geeft mij zijn aansteker als aandenken, en polst me over mijn bestemming.
Intussen is het schip gaan schommelen. Het is alsof iemand me in de maling neemt en me stiekem, nu eens hier, dan weer daar een duw geeft.
Dakar. Zwarte, in lompen gehulde arbeiders rennen door elkaar. Op de kade zoek ik naar een partijgenote, die door Pierre van mijn komst is verwittigd maar die niet komt opdagen.
De Bretagne koerst nu dwars over de Atlantische Oceaan. De hitte maakt me loom en triest. Voor mij is er geen terugweg meer mogelijk, maar a la guerre comme a la guerre, zeggen de Fransen. Als het eenmaal zover zal zijn,
228