ken. Michels toon is nu bezorgd geworden. 'Let goed op', waarschuwt hij, 'geef je koffer aan niemand af, en pas op je geld.' Mijn geld? Zou hij er enig idee van hebben hoe weinig ik bij me heb? Wij zitten op het station en drinken een laatste glas wijn. Hella komt eraan rennen, met broodjes voor vannacht in de trein. En terwijl ze me nog een tandenborstel in mijn handen drukt, vraagt zij: 'De vrienden van Amsterdam hebben zeker een afscheidsfeestje gegeven?'
Ik antwoord maar niet. Na een verbitterd gevecht heb ik de leiding kunnen overdragen en nu hebben ze me zonder een teken van leven laten vertrekken.
'Michel en ik gaan in december naar Nederland', zegt Hella. 'Als Bep iets bijzonders heeft moet ze het schrijven.'
Nu pakt Michel mijn kin en duwt mijn hoofd omhoog: 'Kop op Sal.' Hij mag niet aan me twijfelen. Nog nooit heb ik iemand die vertrouwen in me stelde teleurgesteld, zelfs als ik bijna de moed opgaf. Zó blij dat ik vertrouwd word, wil ik dan alles doen om het niet te beschamen, en verlies daarbij alle grenzen uit het oog. Aarzelend, als het ware om mezelf te overtuigen, antwoord ik: 'Je zult er nooit spijt van hebben.'
's Middags om zes uur is de Bretagne vertrokken. Een uur later keert hij terug zonder dat we het in de gaten hebben. Een verkeerde manoeuvre, een botsing tegen de kademuur, een scheur in de voorplecht. Een dag later zijn we toch op volle zee.
In de Straat van Gibraltar komen dolfijnen het schip vergezellen. Bij tientallen springen ze boven de golven uit, duiken onder de boot door. Je houdt je hart vast dat zij zich aan de schroef zullen bezeren. Vliegende vissen springen van de ene golf in de andere.
22 7