van maak?' Even ben ik nu verbaasd. Het is mijn eigendom toch niet? 'Maar nu moet ik weg', beslist hij, 'straks ontmoeten we elkaar op het partijbureau.'
Terwijl ik het Parijse partijlokaal binnen stap, valt mijn koffer open. Het slot is kapot. Ik had natuurlijk een nieuwe moeten kopen, maar ik dorst er het geld niet voor uit te geven nu de toestand voor Bep zo onzeker is geworden. Rottig is het wel, want morgen begint mijn grote reis naar Latijns-Amerika. Geknield naast het open deksel zoek ik de spullen weer bij elkaar. Bep had alles zo netjes voor me opgevouwen: een pyjama, een overhemd, een stropdas. Tranen springen mij in de ogen; ze mogen het vooral niet merken, ik laat me niet kennen. Hoe moet ik die rotkoffer weer dicht krijgen? Om hulp vragen? Michel heeft me niet eens gegroet toen ik binnenkwam. Hij kan me wat. Dan, plotseling, gooit hij me een touw toe.
Voila mijnheer-de-toerist met een touwtje om zijn koffer. Zouden zij ook zo op reis gaan? Nee, zulke gedachten mag ik niet hebben. Leven zij soms niet helemaal voor de zaak? Wat moet ik nu zeggen, op een stoel tegen de muur gedrukt, terwijl Michel onverstoorbaar een document zit door te lezen? Het lijkt wel of het zwijgen de wrevel vergroot, die plotseling tussen ons is geslopen. Je wou toch zo graag, om de wereldrevolutie te redden? Je gezin beschermen tegen de oorlog? Als die uitbreekt zit jij in Latijns-Amerika en zijn Bep en de kinderen nog thuis.
Zonder nadere aankondiging opent Michel de zitting van het Internationaal Secretariaat. Alle problemen van de wereld passeren de revue. Over mijn reis echter geen woord. Moet ik zo vertrekken, zonder instructies, zonder een enkele aanduiding? Dat neem ik niet, wat denken ze
224