hoe het beter had kunnen aflopen, en vooral: hoe het mogelijk is dat ik het heb overleefd. Alleen op die laatste vraag heb ik een antwoord, als gold het ter verontschuldiging: 'Mijn vrouw is niet joods.'
Weer hoor ik mijn Franse begeleider triomfantelijk toelichten: 'Elle est la fille de Sneevliet.'
Voor de meesten op deze bijeenkomst van de Vierde Internationale is Sneevliet een begrip, dat herinneringen oproept aan verbitterde discussies met Trotski. Alleen Pierre Frank, de leider van de Franse trotskisten, kende hem persoonlijk. Pierre was in 1937 op een congres van de Nederlandse partij. Een paar jaar later zou hij weer komen en bij ons thuis slapen. Dat had Sneevliet zo geregeld. Maar aan de grens werd Pierre tegengehouden. Aan zulke mensen had de regering geen behoefte. Aan één Sneevliet hadden ze hun handen al vol.
Gisteren had ik Pierre Frank zullen ontmoeten. Een Franse partijgenoot troonde me daarvoor mee naar een restaurant waar Pierre meestal ging eten. 'Dit is een kameraad uit Holland die je wil spreken', had hij geprobeerd, terwijl hij me wenkte. Pierre, druk in gesprek, had niet van zijn bord opgekeken, en geërgerd opgemerkt dat hij geen tijd had.
'Hij lijkt wel een bureaucraat', zei ik tegen mijn begeleider, want ik had zwaar de pest in. Een dergelijke opmerking kwam niet van pas, schoolmeesterde deze terug, de Internationale kende geen bureaucraten. De bureaucratie was een bevoorrechte laag die parasiteerde op de arbeidersbeweging, in de Sovjet-Unie en in het Westen, en onze beweging bood geen enkel financieel of ander materieel voordeel. Nog diezelfde middag was Pierre met dui
190