Klaas verwijtend. 'Ik zal echt van niemand anders wakker liggen hier in het bedrijf, maar jij maakt me stapelgek, zo erg dat ik wel eens denk: "Had ik hem maar nooit gekend." Maurits, je broer, was een heel zachte jongen, weet je dat?'
Verbaasd keek ik Klaas aan. Een zachte jongen? Als kinderen hadden we met elkaar geknokt. Ik was zo afgunstig geweest op hem als de hel, omdat ik dacht dat hij door moeder werd voorgetrokken. Kon ik maar een streep zetten onder al die herinneringen van voor en tijdens de oorlog. Maar ik was zo blij dat Klaas dit over hem had gezegd, als ik nu een woord sprak zou ik gaan janken.
'Ik snap niet waar mijn behoefte vandaan komt je steeds maar weer te willen beschermen alsof je geen volwassen kerel bent, beschermen, zelfs tegen je zelf. Bep zal ook wel eens koppijn van je krijgen.'
Dat liet ik me niet zeggen.
'Bep stond tijdens de staking helemaal achter me.'
'Natuurlijk. Dat doet ze altijd. Zij is veel te goed, daar komt het door.'
Godverdomme, nu ging hij zich daar mee bemoeien. Wat verbeeldde hij zich wel. Dan zou ik hem eens de waarheid vertellen.
'Die staking heeft de directie aan zich zelf te danken. Als zij met alle geweld mee willen doen aan de kant van de georganiseerde patroons, krijgen ze onherroepelijk de arbeiders tegenover zich. Als in een noodlotssymfonie.'
Even keek Klaas Overflakkee verbaasd, zocht naar een antwoord.
'Wat had jij dan gewild? Een eigen loonpolitiek van het bedrijf, tegen alle verhoudingen, zelfs tegen de wetgeving in? Dan bestonden we al niet meer.'
184