'Goed, dan moet je het de arbeiders niet kwalijk nemen als zij ook hun eigen weg volgen', merkte ik triomfantelijk op.
'Dat is hun en niet jóuw zaak', repliceerde Klaas.
Ik kon hem wel vertellen hoe het allemaal was gegaan, dat ik uit een nest kwam waar stilzwijgend werd aangenomen dat ik aan de kant van de arbeiders stond, dat mijn schoonmoeder onnoemelijk blij was geweest, Mien Sneevliet, de vrouw voor wie hij zelf een groot respect had. Doch ik zweeg. Ik liet me niet meer voor 'klootzak' uitschelden, ook niet door hem. En ik zuchtte heel diep...
'Het conflict was onvermijdelijk', merkte ik ten slotte op, net doende alsof ik zijn laatste woorden niet had gehoord. 'Ik wil heus wel aannemen dat de directie van de beste bedoelingen uitging. Hetzelfde geldt voor de arbeiders. Dan krijg je de botsing die niemand heeft gewild of zelfs voorzien. Noem het voor mijn part een tragedie.'
'Jij bent geen stakingsleider, je bent een dichter', antwoordde Klaas, en in zijn stem klonk een zekere verwondering door.
En met die woorden in mijn oren ging ik terug naar de steno.
185