Toen sprak directeur Roodhuysen, een grote man, met handen als kolenschoppen, en een enigszins grof gezicht. Hij was als arbeider zijn loopbaan begonnen, had zich met enorme inspanning naar de top gewerkt, zonder zich rust te gunnen, dag en nacht in de weer. Hij beschouwde het bedrijf als zijn persoonlijk eigendom, en verdedigde het tegen ieder als een waakhond: grommend, bijtend als het moest, en altijd op zijn hoede. Vriendelijk voor de arbeiders was hij niet, en ofschoon zij hem respecteerden, geliefd als directeur Riemersma was hij evenmin. Hij was geen flikflooier in zijn contact met hooggeplaatste functionarissen of collega's. Voor iedereen gold hij als dezelfde bullebak, die tijdens de oorlog goed was geweest, en alleen daarom reeds kende hij zijn pappenheimers. Toch was hij ook bij de arbeiders vandaan gegroeid, en zwierf vaak als een eenling door het krantegebouw, met deuren smijtend, vloekend, door niemand begrepen.
'Het is hartstikke stom wat jullie vandaag hebben uitgehaald', schreeuwde hij verbitterd de kantine in. 'Jullie hebben ons in de rug aangevallen, en daarmee snijden jullie in eigen vlees. Ik zeg dit niet als directeur. Ik sta hier als lid van de bemanning, en mijn hart bloedt. Ik ben zelf zetter geweest. Mijn moeder heeft in dit bedrijf als werkster de vloeren gedweild. En nu deze schande. Onderling verscheurd zitten wij hier bij elkaar. En de vijand, jullie eigen klassevijand zoals jullie hem vandaag hebben genoemd, is de lachende derde. Staken tegen jullie eigen bedrijf...'
Een oude arbeider, in manchester pak zoals Ajc'ers die plachten te dragen, stond op, hield de rugleuning van de stoel vóór hem vast met twee handen die trilden. Hij zei met verstikte stem: 'Ons eigen bedrijf? Dat was vroeger
174