Al was het alleen voor haar, dan was het al goed geweest wat ik had gedaan, dacht ik, en voelde me enorm opgelucht om mijn besluit. Ik bekeek de tekeningen en las in haar steil handschrift:
Worsteling kenmerkt onze strijd, Neemt er deel aan allerwegen, Hij die deelneemt aan de strijd, Plukt de vruchten van de zegen.
Zege had ze natuurlijk bedoeld, overwinning, of had zij ons haar zegen willen geven, omdat ze bij alles wat zij deed hoopte de naam van haar in de oorlog als arbeidsleider gevallen man waardig te zijn?
Tegen de achtermuur van de kantine stonden de journalisten, die zich als groep buiten de staking hadden gehouden en wier belangen ook niet op het spel stonden; wat deden zij dan hier? 'Schreuder', riep een van hen mij spottend na, anderen groetten vriendelijk. Kantoorpersoneel zat op de voorste rij. Daarachter de zetters, drukkers, lithografen.
Het was vijf uur in de middag, en een ongewone tijd om te vergaderen. Normaal was het gebouw van de krant om die tijd uitgestorven, heerste er de rust tussen dag- en nachtdienst in. Maar de directie had het gehele personeel met spoed opgeroepen, en ondanks tegengestelde adviezen had iedereen daaraan gehoor gegeven.
Op het podium de onvermijdelijke tafel met karaf, houten hamer, glaasje water. Erachter: de directeuren Rood-huysen en Riemersma; de hoofdredacteur, die er als een dominee uitzag; Klaas Overflakkee, strak voor zich uit starend.
173