'Nog één bakkie koffie', smeekte hij.
Hij kwam al gauw terug, morste terwijl hij mij het kopje aanreikte.
'Ik ben na de oorlog niet meer achter het draaiorgel gegaan', begon hij nu zelf. 'Dat was hard werken en weinig verdienen. Dat geloven de mensen niet, ze denken dat je een soort bedelaar bent, niet begrijpend dat je de halve dag aan een groot wiel staat te draaien, en de andere helft van de dag achter zo'n zwaar bakbeest loopt te duwen. Als het regent zijn er geen mensen op straat, en als je een keer goed vangt, moet je het altijd nog met zijn drieën delen. Nee, nu ben ik taxichauffeur, dat bevalt me beter. Ook geen vetpot, maar je beleeft nog eens wat, en soms heb je een mazzeltje, dan wil een zeeman dat je hem rechtstreeks naar een hoerenkast brengt en hou je er een paar centen aan over. Zo is er altijd wel wat.'
Nu wilde ik toch echt naar huis.
Het leek alsof Duivenoord het voelde, en hij vroeg: 'Hoe is het je broer gegaan? Die heb ik toen eens ontmoet, weet je wel?'
Ik schudde het hoofd, maakte met mijn handen een verloren gebaar.
'Ook al', zei hij. 'Net als je andere familie zeker?'
Ik knikte.
In godsnaam, als hij daar maar niet over doorzaagde, en ik stond op.
'Jij bent gemengd gehuwd, hè?' wilde hij weten terwijl
hij ook opstond.
'Ja''
'Dan heb je geluk gehad. Jullie waren allemaal voor de dood opgeschreven, alleen was Hitier nog niet aan jullie toe toen de oorlog was afgelopen.'
164