daalder toe." Hij vertelde ook dat andere vrouwen "eisje-diesj" waren en met hem naar bed wilden.'
'Maar jij, hoe kwam jij bij ons?' drong Duivenoord opnieuw aan.
'Toen de oorlog uitbrak werkte ik bij een bank. Ik moest in dienst, en kon na de demobilisatie niet terugkomen. Als je werkloos was mocht je de dienst niet uit en werd je bij een of andere "arbeidsdienst" ingedeeld - ik weet de naam niet meer, later werd het de luchtbescherming. Als je toch wilde demobiliseren, mocht je niet in de steun worden opgenomen. Ik waagde het erop. En eenmaal thuis, ging ik naar mijn vakbond, waar ik al tien jaar lid van was, om steun. Ze stuurden me door naar sociale zaken. Na een week werd ik al gekeurd voor de werkverschaffing. Eerst kwam ik in het Twiske, om te baggeren, met een schepnetje. Ik had een hele rauwe schouder door het schuren van de trekhaak, het wou niet overgaan, en ik haalde geen twintig gulden in de week. Toen opnieuw gekeurd, lichter werk zei de dokter, en het werd Hoogland. Dat viel ook niet mee, doch alles leert op den duur. En de verdienste ging ook wel: tussen de vijfentwintig en dertig gulden. Weet je Arie, onze putter nog? Die kon de opzichter van de Heide Maatschappij goed belazeren. De meetlat kwam er aan te pas, en dan wist Arie er altijd nog een paar kuub bovenop te matsen.'
'Die was zo link als een looien deur', bevestigde Duiven-oord.
De klok in de huiskamer begon te slaan, en ik telde mee tot vijf.
'Ik ga nu echt', zei ik en wilde opstaan.
Mijn maat van weleer drukte me echter weer op mijn stoel.
163