Ik zweeg. Liep naar de deur.
Duivenoord ging voor mij staan.
'Ik ben eenzaam, zonder wijf, en mèt mijn dronken harses', sprak hij als in gedachten voor zich uit, 'maar wie er van jullie goed door is gekomen moet ook wel eenzaam zijn.'
Ik duwde hem opzij, struikelde bijna over de drempel. Op de trap was het niet meer zo donker, en op straat fietsten de eerste arbeiders van de dagploegen naar hun werk.
Daar was de Van Woustraat al. Nog één etappe, dan was ik thuis.
Zachtjes deed ik de deur open, liep op mijn tenen naar binnen om niemand wakker te maken, doch ik was nog niet in de huiskamer, of ik hoorde zachtjes roepen: 'Wat ben je vreselijk laat.'
Ik kleedde mij haastig uit, kroop in bed.
'En wat ben je koud. Moest je overwerken?'
Ik schudde van nee, wilde alles vertellen. Mijn keel werd dichtgesnoerd.
'Je bent zo gespannen, ik voel het aan je vingers, wat is er gebeurd?'
Ik staarde voor mij uit. Nu betastten warme vingers mijn blote lichaam, kusten haar lippen mijn ogen, en haar warmte sloeg op mij over, en wij werden samen een, langzaam, toen vlugger, tot de hartstocht mij overweldigde en mijn zaad zich in haar lichaam spoot terwijl ik huilde, vreselijk en rauw, en ik schreeuwde mijn verdriet uit, tot zij een kussen op mijn hoofd duwde, want de kinderen mochten het niet horen.
165