de Rozengracht. Een Duitse soldaat had haar in haar hand geschoten, en 'niets gebeurd' voegde hij er dan triomfantelijk aan toe, 'geen schrammetje', en keek ons stuk voor stuk aan of we begrepen wat hij bedoelde. Of hij had iets beleefd in een andere werkverschaffing, waar iemand achter een bosje ging zitten schijten. Hij had stiekem zijn schep eronder gehouden, de drol opgevangen, en toen gauw teruggetrokken. Die man had er niets van gesnapt en overal gezocht naar zijn bolus. En altijd haalde de rooie het geintje uit om aan het borsthaar te trekken dat uit mijn overhemd krulde, om te vragen of hij een sjekkie mocht draaien.
'Hoe ben jij toen eigenlijk in de werkverschaffing verzeild geraakt? In het begin van de oorlog werden de joden toch nog met rust gelaten?' vroeg Duivenoord nieuwsgierig•
'Dat is zo', antwoordde ik. 'Herinner je je Vogel nog? Dat was toch ook een jodenman. Ik zal nooit vergeten hoe die vertelde dat hij vóór de oorlog eens met de voddenkar op stap moest zonder dat er geld in huis was, en geld heb je nodig ook om oude rotzooi op te kopen, dat willen de mensen nooit geloven. "Ik zal wel zien hoe ik me erdoor sla", had hij tegen zijn vrouw gezegd. In de Van Baerle-straat werd hij binnengeroepen, daar kon hij een pracht van een kinderwagen overnemen, een tientje vroegen ze ervoor. Hij had ernaar gekeken, een dekentje opgetild, naar het matrasje gestaard, en toen uitgeroepen: "Voor geen geld wil ik die wagen, mevrouw, er zit onrein in." Hij had een vies gezicht getrokken en gezegd: "Kijkt u zelf maar." De vrouw had een stap achteruit gedaan, durfde niet te gaan kijken, en had geantwoord: "Koopman, als u die kinderwagen van mij wilt meenemen krijgt u een rijks-
162