van zand op je kruiwagen maakte zonder dat het er bij het kruien afviel. Hoe je het oer met een pikhouweel uit de grond hakte zonder te veel kracht te zetten, anders was je na een uur werken uitgevloerd. Hoe je met je kruiwagen van de loopplanken, stralen noemden ze die, gebruik moest maken. Met je lege karretje liep je ernaast terug, om plaats te maken voor wie er met een volle kruiwagen aankwam. Johan had me daar het eerst op gewezen, en eraan toegevoegd: 'Je moet iemand die werkt nooit in de weg lopen.' Van alles had ik te horen gekregen omdat het die eerste tijd, met blaren in je handen, niet zo vlot gaat. 'Ik werk wel voor een wijf maar niet voor een kerel', had hij me toegesnauwd, omdat mijn 'produktie' ook zijn loon beïnvloedde. Hij had me geleerd dat je een schep vol zand of klei niet moet 'wegen', niet eerst naar je toe moet trekken, maar meteen moet doorslingeren naar je kruiwagen.
'Gooi die kat gerust van je schoot', zei Duivenoord. Het beest had zijn nagels in mijn dijbeen vastgehaakt. 'Herinner jij je Loewietje nog?'
Ik sloot even mijn ogen, en met moeite haalde ik me hem voor de geest. 'Die rooie, bedoel je.'
Het was een gedrongen, gezette man geweest, zo'n vijfendertig jaar oud, een vrijgezel die aan astma leed, de ene sigaret na de andere draaide, de rook opzoog alsof hij hem niet meer wilde uitblazen en het dan benauwd kreeg en rochelde tot wij bang waren dat hij zou stikken.
'Je kon lol met hem hebben.'
Dat was waar. Elke dag wist hij nieuwe moppen, die hij vertelde als we na een uur scheppen vijf voor de putter namen, maar sommige ervan konden we al dromen, en dan werd hij uitgejouwd. Zeker eens in de week vroeg hij of we dat in de krant hadden gelezen, van dat mokkel op
iéi