hoofd. Sluik, donkerbruin haar. Achter zijn brilleglazen spottende ogen. Een scherpe neus en kleine kin, in een te bleek gezicht. Smalle lippen.
Toen kwam Bollé binnen. Te laat voor zijn doen. Normaal was hij er het eerst. Zijn aanwezigheid werkte verkillend op iedereen. Ook nu ging hij achter zijn bureau zitten zonder te groeten, zonder op te kijken. Zijn gezicht zag in-wit, van slaap of ergernis. Hij kwam naar mij toe. 'Jij zit op mijn stoel', verweet hij mij. Het zou wel waar zijn. Ik kon het verschil nauwelijks ontdekken. Ze hadden in de nachtdienst natuurlijk de stoelen omgeruild.
Half tien. In drie cellen tegelijk rinkelden de telefoons. De Noordhollandse edities begonnen hun berichten door te bellen. Om twaalf uur sloot de Haarlemse editie, om één uur kwam die van de pers. Het ene bericht volgde nu op het andere, er stonden er al vijf in mijn stenoblok die ik moest uitwerken, en de anderen zaten nog op te nemen. Bollé kwam naar mij toe. 'Hier is een briefje van Warden Mackay aan Frits Herder. Je moet het meteen tikken.' Daar werd je stapelgek van. Herder, de chef van alle redacties. Mackay, zijn waarnemer. Zij zaten vlak tegenover elkaar, in één kamer. Voor elke scheet schreven ze elkaar briefjes. Eerst dacht ik dat het belangrijke zaken betrof, waarvan een afschrift in het archief moest worden bewaard, maar dat had ik mooi mis. Het was hun manier van conversatie, om verder zwijgend hun gang te gaan. Zij schreven in klad hun boodschap op, en wij moesten die overtikken, 's Middags, als er niet veel meer te doen was omdat de krant al was opgemaakt. Geloof het maar! Bollé kwam er op de meest ongelegen ogenblikken mee, 's morgens, wanneer het razend druk was. Waarom tikte hij ze zelf niet? Dat mocht niet. Chefs mochten niet meewerken.
144