pakken. Daar rekende zij op als op een verworven recht. Zelfs als zij de vroege dienst had, en ik een half uur later kwam, stond haar bureau nog maagdelijk. Toch ging zij prat op haar onafhankelijkheid als vrouw, en van andere collega's verwachtte zij een dergelijke dienst niet. Maar tijdens de 'leegloop', de stille tijd als de persen begonnen te draaien en er geen berichten meer binnenkwamen, beklaagde zij zich over het onrecht dat vrouwen werd aangedaan. 'Ze moesten eens collectieve arbeidsovereenkomsten maken waarin stond, dat kleurlingen of joden lager werden betaald dan de anderen. De wereld zou op zijn kop staan, en terecht. Dat vrouwen minder ontvangen voor hetzelfde werk, wordt echter heel gewoon gevonden.' Als ze zo sprak kon ik haar wel omhelzen, raakte in de war met mijn gevoelens, en dacht: 'Je mag een vrouwelijke collega toch ook wel aardig vinden om haar zelf, moet je je zelf daarvoor eerst een of andere principiële machtiging geven?' Al die onzin. Maar eens zei ze tegen me: 'Ik ben voor de gelijkschakeling van man en vrouw', en ik vroeg: 'Weet je wel wat je zegt? Gelijkschakeling? Dat is iets heel ongunstigs.' Gelijke rechten, dat is wat anders; stel je voor dat er echt 'gelijkschakeling' kwam, dat man en vrouw hetzelfde werden. Dat zou een vervelende wereld worden. Als je met mannen onder elkaar werkt, is het lang zo prettig niet als wanneer er vrouwen bij zijn. Eens had ik een zeereis gemaakt van drie weken. De matrozen waren vaak grof tegen elkaar, in hun woord, en ook in hun gedrag, grepen een ander in zijn kruis en deden hem pijn. Maar als er vrouwen bij zaten, uit de keuken, voor de verzorging van de hutten, was het heel anders, dan werd er gelachen en gezongen, soms alleen gezwegen en was het toch gezellig.
142