dig. 'Het is nog koud op de steno', zei ze, en rilde even. 'Die verwarmingsbuizen bezorgen je nog ribbels op je bib-bels', antwoordde ik — wanneer had zij het niet koud? — 'en als straks de klok slaat blijven ze er voor altijd in zitten.' Hilda antwoordde niet. Zulke grapjes waren beneden haar waardigheid. Zij was eens cheffin geweest van de steno, onmiddellijk na de oorlog, maar op een kwade morgen zat Bollé achter haar bureau. Onaangekondigd.
Hillegonda strekte haar schouders. Zij was niet zo stijf gekleed. Daar kon je bij haar nooit hoogte van krijgen. Soms had zij een bruine jurk aan, gesloten tot aan de hals, en schoenen die tot aan de enkels reikten. Het leek wel alsof zij zich zelf dan oud wilde maken, zich beschermen tegen de avances van journalisten, uit angst aardig te worden gevonden. Want zij was een persoonlijkheid, en een goeierd ook, altijd moederde zij over haar collega's. Maar soms was zij humeurig, onberekenbaar zelfs, vooral tegen mij, en gaf mij het gevoel alsof ze mij haatte.
Nu had zij een laag uitgesneden witte blouse met rood borduurwerk aan, boven een blauwe plissérok. Zij legde haar knieën over elkaar. Ik kon haar dijen zien, wilde het niet laten merken. Zij zette haar leesbril af, keek mij aan, zei opnieuw gedag. Haar stroeve blik uit grijsgroene ogen was bij toverslag verdwenen, en zelfs haar scherpe jukbeenderen vergrootten haar aantrekkelijkheid. Achter in de dertig was zij nu, drie jaar ouder dan ik. Weduwe. Met een zoon van zeventien. Zij had te veel van haar man gehouden om nog weer te willen trouwen, had zij mij verzekerd. Aan haar zoon hing zij met een hartstocht, die zij voor zich zelf niet wilde erkennen, maar die hem wel eens moest benauwen.
Ik liep naar de kast om een schrijfmachine voor haar te
141