Haastig liep de chef terug naar de stenoafdeling, gaf mij een wenk dat ik hem moest volgen.
'Die cellen daar', en hij wees naar drie deuren naast elkaar, 'daar zijn de telefoons waarop wordt doorgebeld.'
Hij deed de deur van een cel open. Boven de telefoon hing een koptelefoon.
'Dan heb je de handen vrij om te stenograferen en je stenoblok vast te houden.'
Terwijl ik achter Bollé aan liep duwde iemand me opzij, sprong met twee treden tegelijk een trapje op in de richting van de redactie en schreeuwde: 'Richard uit Londen, moet nog mee in alle edities.'
Wij vervolgden onze weg, door een grote zaal met een wirwar van bureaus. Redacteuren, mannen en vrouwen, zaten te typen, praatten, telefoneerden, een enkeling, met zijn voeten op een bureau, riep een grapje naar iemand verderop.
'Ik zal je even voorstellen aan de chef binnenland', zei Bollé. Een lange man keek haastig om, drukte me de hand en zette zijn gesprek met een ander voort.
We bleven bij een bord aan de wand staan.
'Er staat soms iets op dat de steno ook moet weten.' Het waren mededelingen over een redactievergadering, een brief van de hoofdredacteur, maar ook een knipsel uit de krant, over een bezoek van het koninklijk huis, en met grote letters had iemand erboven geschreven: 'Daar zijn de appeltjes van Oranje weer...'
'Je ziet hoeveel redacties er zijn, hè?' merkte Bollé op nadat we de zaal hadden doorkruist: 'hoofdredactie, buitenland, binnenland, sociaal-economie, stad, nieuwsdienst, kunst, mode, onderwijs, en nog zo'n portie. Dat leer je wel.' 132.