BIBLIOTHECARIS
De bewaarder ontsluit de celdeur bij de nieuweling, laat mij binnengaan en blijft zelf op de ring staan.
Een jongen van omstreeks twintig jaar springt van zijn stoel, gaat in de houding staan als een rekruut voor een meerdere en kijkt mij angstig aan. Hij heeft een bleek, ingevallen gezicht met bolle ogen die in het halfduister van de cel hun kleur niet prijsgeven. Zijn blauwe tweedjasje, de vouw nog in zijn broek, de netjes gepoetste schoenen steken aftegen de grauwe omgeving. Alleen een stoppelbaardje van enkele dagen bevestigt zijn status van nieuwe arrestant en past bij de weeïge stank van de kiepelton, het grijs van de cementen vloer, het mistige buitenlicht uit een matglazen venster.
Ik kijk langs hem heen, en zeg: 'Ik kom van de bibliotheek om je wat boeken te brengen. En deze kaart moet worden ingevuld. Daar komt je naam op en je celnummer, watje doet in het gewone leven en welke boeken je graag leest.'
Dat laatste is niet voorgeschreven, maar ik weet hoe afschuwelijk het is boeken te krijgen die je geen bliksem kunnen schelen en die je een week lang in je cel moet bewaren terwijl je naar iets goeds snakt.
Nu staart dejongen mij hulpeloosaan: 'Ik kan niet lezen meneer.'
Tot mijn verbazing. Er zijn hier analfabeten bij de vleet, die plaatjesboeken krijgen, geïllustreerde tijdschriften, maar daar ziet de knaap niet naar uit. Dan verontschuldigt hij zich: 'Het komt omdat ik mijn bril niet heb.'
'Kapot?'
77