later was.'
Mark zei niets meer. Zijn knie trilde onafgebroken. Of ik er iets aan kon doen. We moesten geen ruzie maken. Zestien jaar was hij al, ik zeventien, en op die leeftijd knok je niet meer met elkaar. Trouwens, sinds ons zusje was gestorven hadden we nooit meer gevochten, en waren we plotseling goede vrienden geworden; soms dachten de mensen dat we tweelingen waren, of boezemvrienden. Wel bleef ik altijd bang dat hij kwaad op me zou worden, ofschoon hij alleen maar wat kankerde. Van de driftbuien, die hij als kind kreeg wanneer we ruzie hadden, was geen sprake meer, en toch, steeds opnieuw keek ik hem naar de ogen wanneer zijn gezicht betrok, alsof een onbekende macht onze vriendschap voortdurend bedreigde. Soms kon hij het niet verdragen, verweet me dat ik onderdanig was. Dan, plotseling, lachten we samen hartelijk, met een blij gevoel van opluchting.
Intussen was moeder binnengekomen, twee enorme pakken brood in haar armen torsend.
'Dat is genoeg voor een weeshuis', smaalde ik, maar zij vond dat ik niet zo moest zeuren. 'Jullie kunnen best wat op voordat jullie in Amersfoort zijn, op de fiets, het is een hele tocht.' Zij meende dat wij tbc. konden krijgen als wij niet voldoende aten. Haar enige zorg was ons vol te proppen. 'Het zijn er niet zo veel,' stelde zij ons gerust, 'het lijkt maar zo, omdat op elke boterham een ei zit. Ik heb bij de schreeuwer een schaal met kneusjes gekocht. Een cent per stuk, voor dat geld kon ik ze niet laten lopen.'
Zwijgend stopten wij de balen brood in onze fietstassen tussen een paar kousen, ondergoed, een veldfles vol thee, en wat je allemaal nog meer nodig hebt als je twee weken op de fiets met vakantie gaat.
'Denk erom dat jullie in Amersfoort blijven slapen,' zei
34