Hij was de deur nog niet uit, of het water brak door.
'Loopt u maar wat heen en weer,' zei de kraamverzorgster vriendelijk tegen Liesje, 'ik zal uw bed verschonen. Als er opnieuw weeën komen, wilt u de dokter dan meteen opbellen?' vroeg ze aan mij.
'Oh jongen, oh man,' kreunde Lies. 'Nee, ga niet bij me weg. Bel jij dan, riep ze naar moeder, de dokter moet komen, laat hem komen.'
Moeder en ik stonden aan het hoofdeind, terwijl de kraamverzorgster nu naast Liesje ging zitten. Zij was een jonge in zich zelf gekeerde, magere vrouw, en keek bezorgd naar Lies.
'Kunt u haar niet helpen?' vroeg ik. Resoluut antwoordde ze dat ze daartoe niet bevoegd was.
'De dokter zal trouwens zo wel komen. U hebt toch gebeld?' vroeg ze aan moeder.
'Ja, zuster. Hij was er nog niet, maar zijn vrouw zou hem waarschuwen zodra hij thuiskwam.'
'Ziet u wel, u moet niet ongeduldig...'
Lies gaf een schreeuw, kermde: 'Ik hou het niet meer uit, ik hou het niet meer uit...'
Zweet brak me uit, en plotseling herinnerde ik me dat ik, als kind, bij familie had gelogeerd, en dat mijn neefje zo lag te kermen, dat de dokter niet kwam, en dat een ander familielid hem in een deken had gewikkeld en naar het ziekenhuis had gebracht, waar hij onmiddellijk aan buikvliesontsteking moest worden geopereerd.
'De dokter móét komen,' riep ik.
'Bemoeit u zich er niet mee,' gelastte de zuster mij, terwijl ze tegen Lies zei: 'Probeert u nou maar even kalm te blijven, de dokter...'
'U móét me helpen, zuster, ik voel dat het nu komt...'
De kraamverzorgster keek mij onderzoekend aan, richtte haar ogen op moeder, en zei plotseling tegen haar:
!75