ren, storm en ontij.'
'En geluk,' voegde Liesje er aantoe. 'We hebben toch zeker fijne kinderen. Maar stormvogels zijn het wel.'
'Jij hier, om deze tijd?' vroeg ik blij verbaasd, toen ik mijn fiets op het buitenportaal had gezet en Liesjes moeder de gangdeur opendeed.
'Je mag je schoolgeld wel terughalen,' vermaande zij, en haastte zich terug naar de keuken. 'Jullie hadden Lies-je toch uitgerekend voor eind mei?' vervolgde ze toen ik me• bij haar voegde. 'Vergeet het maar. Vanmiddag al kreeg zij weeën, en we hebben zelfs de dokter gewaarschuwd, die pontificaal met een kraamverzorgster kwam opdagen. Maar toen ze zaten te wachten, wilde er niets meer komen.' "Je denkt zeker dat ik tandarts ben," zei hij tegen Lies, "als ze die zien gaat de pijn ook over." Later zijn ze weggegaan. Ik ben voor alle zekerheid toch hier gebleven. Ga maar liever je vrouw goeiedag zeggen dan dat je met je schoonmoeder staat te kletsen. Ze zit met haar konnetje op het balkonnetje in het zonnetje,' rijmde ze, en lachte.
Ik liep door naar de waranda, die we hadden afgeschermd met een soort vangnet, omdat Wessel liefst tot aan zijn navel over de afscheiding hing en onherroepelijk, getrouw aan de wetten van de zwaartekracht, een keer van twee hoog naar beneden moest duvelen als we er niets aan hadden gedaan, en ook nu gilden soms de buren van de overkant als hij in de afscherming was geklommen.
Maar Lies zat er alleen, haar handen in de schoot onder haar buik, die haar als een ballon omhoog leek te willen tillen. Zij tuurde afwezig voor zich uit, haar ogen naar het scheen gericht op de oneindigheid. Toen hief zij haar hoofd naar mij op.
172