mijn jeugd zo hardnekkig de kop opsteken, dat ik daarom voortdurend de kluts kwijt raak, bij mijn verdriet, maar ook bij mijn geluk met jou en de kinderen. En daarmee: bij mijn eigen bestaan.
Ik weet het niet meer.
Ik weet het niet meer.
Maar wij horen bij elkaar. Ik kan niet zonder jou, ik kan niet zonder de kinderen. Weet je nog wat ik je vroeg toen we verliefd op elkaar werden: 'Zullen we het samen proberen?'
We hebben het niet te gek gedaan, als je ziet door wat voor stormen wij moesten. En er is alle reden, om die poging voort te zetten. Want, wat anders is het leven dan een poging, met vallen en opstaan?'
De lucht boven de hei trilde in de zon, zo warm was het op de Veluwe, en toch moesten we doorfietsen; nog een kilometer, dan waren we op het kampeerterrein van Zon en Vrijheid, en hadden we het er weer opzitten die dag, zoals we er daags op uittrokken, naar de Hoge Veluwe, naar Arnhem zelfs waar we zochten naar de Ruiterstraat, het geboortehuis van mijn moeder, naar Hattem. Daar had mijn oude schoolmeester gewoond, of zijn vrouw, dat kon ook.
'Ik zal je wel duwen,' zei ik opnieuw tegen Lies je, maar zelf kon ik ook niet meer, en uitgeput kwamen we aan bij de grote legertent, eetzaal voor alle kampeergasten, die ons met een hoeraatje ontvingen.
'Daar heb je de tortelduifjes,' spotte een Rotterdammer. Hoe kwamen ze aan die onzin?
'Hoe zou het met de kinderen gaan?' vroeg Liesje toen we zaten te eten.
'Maak je maar geen zorg,' verzekerde ik haar, 'die worden door moeder hartstikke verwend.'
168