aan de tegenstellingen, die een klassen- of een kasten-maatschappij kenmerken, en voor die ondergangsmogelijkheden is zij bezig alle instrumenten te scheppen. In die zin voel ik mij met alle vezels verbonden aan de toekomst van de maatschappij, omdat immers ook voor mij de grens duidelijk werd tussen het zijn en het niet-zijn.
Waarom dit politieke verhaal, terwijl het mijn bedoeling is, door deze brief een oplossing te zoeken voor onze moeilijkheden? Ik weet het niet. Wél weet ik, dat als de mensheid deze catastrofale periode overleeft, de mogelijkheid van een nieuwe oorlog steeds kleiner wordt, alleen al omdat het gebruik van de wapens, die men thans bezig is te perfectioneren (waar men al niet perfect in kan zijn...) tot zelfmoord van de mensheid zou leiden. Terwijl ik deze brief schrijf, is er oorlog ontbrand op Korea. De strijd gaat niet meer, zoals vroeger, om koloniale buit, maar het ziet er naar uit dat de koloniale volken zich opmaken het juk van zich af te werpen, en dat de komende worsteling in de wereld dit karakter zal dragen.
En weer vraag ik me af: waarom al die politieke rechtvaardigingen? Waarvoor? Voor wat? Wil ik me zelf moed inpraten om het leven weer aan te durven? Draai ik om de vraag heen in hoeverre mijn houding werd be-invloed door onderdrukte afgunst? Op iedereen was ik jaloers, op mijn zusje, op mijn broertje. Ik zal wel eens kwaad zijn geweest op mijn moeder, op mijn vader, als ik dacht dat zij voor werden getrokken. Ik zal ze soms 'weg' hebben gewenst, maar dat mijn zusje zou sterven aan tbc., dat mijn ouders en Mark door de nazi's zouden worden vermoord; het is te verschrikkelijk om eraan te denken.
Misschien dat daarom onderdrukte gevoelens uit
167