getrokken tot dicht bij het strand, waar zwemmers een ketting hadden gevormd, tegen mij vloekten omdat ik zo onvoorzichtig was geweest en mij naar de kant brachten, me neerlegden. Rond mij stond een kringetje mensen, en daar stond ook Joselien, snikkend als wist zij zich geen raad.
We wensten elkaar nauwelijks gedag. Ik was alleen maar misselijk, had steeds het gevoel te moeten kotsen, en kroop thuisgekomen in bed, rillend als een koortslijder, en ik schold me zelf uit: 'Stommeling, idioot, grote klootzak die je bent, bijna was je als een hond verzopen. De rest van de familie achterna...'
Die vervloekte ns b-buurman was vrijgelaten, uit barmhartigheid zoals ze alle nsb'ers hadden vrijgelaten, en op de meest onverwachte ogenblikken kwam ik hem op de trap tegen, of bij de deur, die ik voor zijn neus dichtsmeet. 'Smerige verrader,' zou ik hem willen toebijten, 'een joods meisje heb je vermoord, en de man bij wie ze was ondergedoken is ook nooit teruggekomen. Ik zou je bij je strot willen grijpen, maar dan heb ik me zelf en niet jou te pakken, gorilla, met je gebogen rug en je lange, zwaaiende armen, je kromme benen. Opkijken durf je niet, je sluipt langs de mensen, net als tijdens de oorlog, op de dag van de Februaristaking, totdat je een joodse vrouw aanklampte in de David Blesstraat, met haar meeliep, lachte, en haar uithoorde; of was je blij dat je een keer menselijk contact had?
'Wat zeg je? Hou je bek, jood?'
Ik schopte hem met mijn schoen tegen zijn kin, en nog eens, tot hij achterover smakte en bewusteloos bleef liggen, terwijl zijn handen naast zijn lichaam trilden, en ik zou hem net zo lang trappen tot hij dood was. Waarom trek je me bij hem weg, Lies je? Laat me toch los. Krijg ik
160