loos door de stroom meegetild, en zij bleef voor me uit zwemmen, steeds verder van de kust vandaan.
Aan de kant werd er getoeterd. We moesten terugkeren, anders werd het gevaarlijk, en ik schreeuwde naar Joselien dat we te ver uit de kust raakten.
Zij begreep dat ik het meende, wachtte op me, liet zich drijven tot ik bij haar was.
Zij aan zij zwommen we terug, of leek het maar zo? Ondanks al onze pogingen schoten we nauwelijks op.
Plotseling schrikte haar hulpgeroep me op. Of maakte ze een grapje?
'Ga op je rug liggen,' riep ik, en met mijn lichaam onder het hare, mijn handen om haar kin gespannen, trok ik haar moeizaam met mij mee. Zo had ik het vroeger geleerd op zwemles, en nu kwam het toch van pas. Als we dan een meisje moesten redden, zij boven, jij onder, dan kreeg ik een stijve, en was ik bang dat ze het zou merken, flitste het door me heen. Ik kon bijna niet meer. Daar kwamen twee zwemmers aan om haar van me over te nemen, net op tijd, goeiegod, net op tijd, ik kon haar niet meer houden. Terwijl ik haar los liet, had ik ineens geen kracht meer. De achterstand werd steeds groter. Een golf sloeg over mij heen, en toen ik weer boven kwam en naar lucht hapte, klotste water in mijn open mond, dat ik als een bezetene uitspoog. Brem, bitter als brem, en ook ik schreeuwde om hulp voordat het te laat was en te veel water door mijn keelgat zou spoelen. Gekke gedachten flitsten door mijn hoofd: wanneer zou je buik er vol mee zijn, of je longen, en zou je bewusteloos worden voordat je stikte, en hoe lang zou het duren? Dat mocht niet, met Liesje en de kinderen, en toch was het mijn eigen schuld, ik leefde immers steeds met de doden? Opnieuw zakte ik weg...
Toen werd ik beetgegrepen aan weerskanten en mee-
!59