welke school zij zou gaan. Lies en ik moesten bij de psychologe komen, voor een persoonlijk gesprek. Zij raadde met klem: 'U moet niet zo somber zijn thuis, u moet ook eens een liedje met haar zingen. Dat is absoluut nodig, het is voor een opgroeiend meiske veel te zwaar in een gezin waar geen vrolijkheid heerst.'
Maar zij wist niet dat ik niet meer durfde te zingen, omdat ik dan onherroepelijk ging huilen, en dat was toch ook de bedoeling niet. Ik vervloekte me zelf om al die treurigheid. Ik was zo zwaar op de hand, zo kleverig, zo ongenietbaar geworden als een koegel die niet gaar is. En ineens was ik weer vrolijk, lachte, maakte grapjes, wist niet hoever ik kon gaan zodat de mensen mij er een verwijt van maakten, om een dag later weer rond te lopen als iemand die zwaar in de rouw is.
'Lach eens tegen duimpje,' zei Joselien, terwijl ik verdiept was in mijn werk, en toen ik niet reageerde: 'Wat doe je vanavond?'
Ik keek haar verbaasd aan.
'Waarom vraag je dat'
'Je vrouw is toch met de kinderen naar buiten?'
'En wat zou dat?'
'Doe niet zo bits tegen me. Je bent tegenwoordig helemaal niet lief meer.'
Ik legde een vinger op mijn mond, knikte met mijn hoofd in de richting van de cheffin, opdat zij zou begrijpen...
Zij boog zich naar me over, en fluisterde in mijn oor: 'Om vijf uur wacht ik beneden op je.'
Joselien holde uitgelaten de zee in, vlakbij de pier, en riep: 'Probeer me te pakken, als je kan...'
Ik zwom haar achterna, met krachtige slagen, moeite
158