Toen ik de Stadhouderskade overstak, fietste ik door het stoplicht, dat juist op oranje sprong. Een agent gebaarde me te stoppen.
'Uw naam?' vroeg hij.
'Het was toch niet rood?' antwoordde ik.
'U weet toch wel dat u ook niet door oranje licht mag rijden?' snauwde hij, 'uw naam, of gaat u liever mee? En een legitimatie.'
'Uit de Van Wou?' riep een man driehoog naar beneden, en kwam een ogenblik later met zijn portemonnee in de hand de trap af. 'Dat heb je vlug gedaan. Hoeveel krijgt je baas?'
'Eenentwintig-vijfenzestig,' antwoordde ik.
Hij gaf me twee tientjes en twee gulden.
De rest mocht ik als fooi houden.
Terwijl ik naar huis fietste, was de aardigheid er al lang af. De kinderen waren teleurgesteld geweest, en dat was toch wel rottig. 'Je bent onverdraagzaam geworden,' verweet Lies me tegenwoordig meer dan eens, en nu had ze ook gezegd dat ik star was. Wat kon het me schelen. De hele rotzooi kon naar de bliksem lopen. De ene helft van de familie bestond immers uit doden, de andere helft had de oorlog overleefd. Daar zat ik tussenin, en ik leefde net zo goed met degenen die er niet meer waren als met de overgeblevenen. Op de wip noemen ze dat, schold ik bitter in me zelf. 'Wees blij dat wij het hebben overleefd,' herhaalde Lies in elk gesprek verdrietig-ver-wijtend, en een enkele keer voegde ze er aan toe: 'Natuurlijk ben jij ook blij dat jij nog wél leeft. Is dat een zonde? Moet je je daar schuldig over voelen? Schuldig zijn de nazi's, en geen water in de wereld kan ze daarvan reinigen. Ze worden overal vrijgelaten en weer naar
155