iets brengen, straks zou ze het uitpakken, als wij klaar waren met de boterhammen.
'Hoe gaat het op school?' vroeg ze aan Elsje.
'Gewoon,' antwoordde zij.
'Ze heeft al geleerd wat zelfstandige naamwoorden zijn,' vermeldde ik trots. 'Vertel eens aan oma?'
'Moet je dat aan een kind vragen?' zei Elsje minachtend.
Oma lachte, riep: 'Goed zo, leer maar van je afbijten, dat zul je nog genoeg nodig hebben in het leven. Wat dat betreft heb je aan je vader en moeder een slecht voorbeeld. Die willen het iedereen veel te veel naar de zin maken. Dan krijg je stank voor dank.'
Waar bemoeide zij zich mee, ik kon mijn eigen boontjes wel doppen.
'En nu heb ik nog wat meegebracht,' sprak oma, met een glimlach om zich heen ziend. Ze liep naar de gang en keerde terug met een grote kartonnen doos, in groen kerstpapier verpakt, en zei tegen Elsje: 'Jij mag hem uitpakken.'
'Wat is dat?' reageerde ik verbaasd, toen er een slinger gekleurde lampjes te voorschijn kwam.
'Dan hoeven jullie niet steeds kaarsen te kopen voor de kerstboom.'
Die onzin. Het was dat Lies er steeds op aandrong, en dat de kinderen het prachtig vonden, anders kon die boom me gestolen worden. Allemaal christelijk gedoe. Sinds de oorlog voorbij was walgde ik van al dat gods-dienstvertoon. Hoe kon je nog aan een god geloven na het vreselijke dat er was gebeurd.
'Ik wil niet dat we die kerstlampjes houden,' besliste ik dadelijk nadat oma was vertrokken.
'Waarom niet?'
Zes grote, verbaasde ogen keken me aan.
»53