gevleid door haar bewondering voor me, of brachten haar opmerkingen mij in de war. 'Jij bent te trots om een revolutionair te zijn,' had ze eens beweerd, en ik vroeg me af hoe ze dat bedoelde. 'Zonder die dwaze opvattingen van jou kun je het nog ver schoppen in de wereld,' verzekerde ze een andere keer. 'Ik weet hoe ze hier over je denken. Dat is lang niet mis. Wat kan jou al die rotzooi toch schelen? Laat de mensen in hun geluk, of in hun ongeluk als je vindt dat ze ongelukkig zijn. Je leeft maar één keer, en om dan het verdriet van de hele wereld op je schouders te nemen. Als ik met jou getrouwd was...' maar nu zweeg zij verward en bloosde.
Daar had je het. Misschien wilde ze gewoon met me naar bed, en ik met haar, wie weet? En gebruikten we al die omwegen om ertoe te komen.
Toen ik van mijn werk thuiskwam, vloog Wessel als een jong hondje op mij af, babbelde honderduit, toonde me een tekening die hij op de kleuterschool had vervaardigd, en zodra ik me een ogenblik bukte klom hij op mijn nek, liet zich, de benen tussen mijn armen geklemd, achterover vallen. Mijn schouders waren zijn bevoorrechte zitplaats, thuis, buiten, en eens, in de Franse Bazar, had een vrouw tegen haar man gezegd: 'Kijk eens hoe die jongen op zijn vader lijkt...'
'Rotjongen,' zei Elsje plotseling, 'moet je weer bij pappie op schootje, bij pappie op zijn nek?' Zij was jaloers op Wessel, na vijf jaren enig kind te zijn geweest, al hield ze nog zoveel van hem. Ik noemde hem zonder er bij na te denken: Bimbombolle, en dan lachte ze hem uit om die gekke naampies, ofschoon ik haar ook altijd andere namen gaf: Elsebel, of wangekind.
De bel bracht redding. Liesjes moeder kwam, niet om mee te eten - ze moest zó weer weg, ze kwam alleen
152