lien, jij bent zalig om te zien,' en nog meer van die onzin. Ze liet het trots aan iedereen lezen. Mijn eigen cheffin, een zure, ongetrouwde vrouw van een jaar of vijftig, gaf haar standjes als ze bij mij in de buurt kwam, verweet haar dat ze niet preuts genoeg was omdat ze, met haar knieën opgetrokken, naast mij was gaan zitten. Tito noemde ze mij, en ik had haar nooit verteld hoe ik over de dingen dacht. Zouden ze meer van mij weten? Zij zat naast een accountant, die ook al zo vertrouwelijk deed. Hij kankerde op de directie, zei dat ze hem apart hadden gezet omdat ze hem te lastig vonden. Als hij zijn pensioenrechten niet verspeeld zou hebben, was hij toen vertrokken. Het gekste was dat studenten in de economie, die er stage liepen, naar mij toe kwamen om mijn advies te vragen als ze iets niet begrepen. Zo veel wist ik er ook niet van. Als Nederlands staatsburger mocht je geen zaken doen met het buitenland zonder in- en uitvoervergunning, want het vreemde geld moest in de deviezenpot terechtkomen, voor de wederopbouw van de Nederlandse economie. Maar als die staatsburger ergens in een ander land als firma domicilie koos, kon hij doen wat hij wou; voor miljoenen dollars rubber kopen in Indonesië, koffie in Brazilië, koper in Chili, of wat dan ook, en het geld kwam op rekening bij een of andere buitenlandse bank. Als ik er met de studenten over sprak, zeiden ze: 'Er is toch geen sprake van ongelijkheid voor de wet? Iedereen kan dit doen als hij wil. Natuurlijk, je moet er het geld voor hebben, maar dat is altijd zo.'
Elke dag wachtte Joselien op mij, om samen te gaan wandelen tussen de middag, te gaan neuzen op het Waterlooplein, of op een terrasje een kop koffie te drinken. Ze had me in haar ban, omdat ze me aan mijn moeder herinnerde, en steeds probeerde ik te ontdekken
151