Als een waanzinnige fietste ik door het verkeer, voor trams en auto's uit om niet te laat te komen, al de derde keer in een week. Als de weg van huis naar de bank iets langer was, zou ik die paar minuten wel inhalen, maar altijd sprong de tijdklok te vroeg verder, soms als je de kaart er in stak. Afschuwelijk, een smoesje te bedenken. Naar de dokter geweest. De brug over de Stadhouderskade omhoog. Lekke band. De wekker liep niet af, meneer. 'Vroeger van huis gaan,' antwoordde de afdelingschef steevast, 'Iet er een volgende keer beter op. U weet: drie keer te laat, dan moet ik u een boete geven.' Liever dat dan al die smoesjes te bedenken. 'Ik heb me verslapen, meneer, domweg verslapen. Geeft u me maar een boete.' 'Dat bepaal ik zelf,' antwoordde de chef geërgerd. 'Gaat u zo gauw mogelijk naar uw plaats. Anderen moeten in die tijd uw werk verrichten.'
Daar kreeg ik de pest over in. Of ik niet hard genoeg werkte. Als een robot. Een eeuwigheid duurde een dag. Als je nergens aan dacht terwijl je uren achtereen doorzwoegde kwam er toch een eind aan. Vroeger meende ik dat bankbedienden een apart slag mensen vormden, doch dat viel wel mee. Er waren kwezels bij, natuurlijk. Iemand had zich van Laren - waar hij woonde - naar Amsterdam laten overplaatsen omdat de reiskosten dan bij zijn salaris kwamen, en daardoor zijn pensioen later twee of drie gulden hoger zou zijn. Later, over dertig jaar of zo iets. Stapelgek. Maar er werkten ook heel gewone, bijzonder aardige mensen, zonder kapsones. Aan een andere tafel zat een meisje, dat het prachtig vond, door de zaalruimte liedjes te galmen, tot haar het zwijgen werd opgelegd. Zij plaagde alle mannen, trok aan een stoel als ze langs iemand liep, hield haar hand voor iemands ogen en grapte: 'Laatste woord.' Ik had een gedichtje voor haar geschreven, een flauwekulletje: 'Jose-
149