men, uitgerekend op de dag dat Wessel naar het ziekenhuis ging. Het was wel een mooie smoes geweest bij de Mammoeth-bank, meneer, ik moet mijn zoontje wegbrengen... en toen, als de bliksem op de fiets naar het Kleine-Gartmanplantsoen. En hoe lang werkte ik er? Een maand of drie. Met de grootste moeite was ik er gekomen. Idioot die ik was geweest, om destijds bij de krant weg te gaan. Een moordbetrekking had ik er. Halve dagen op stap om biografisch materiaal op te snorren, de andere helft van de dag kranten lezen en het belangrijkste nieuws aanstrepen. Ik moest zo nodig voor de revolutionaire partij gaan werken, terwijl ik op mijn vingers had kunnen natellen dat het nooit goed kon blijven gaan. Waar moest het geld vandaan komen? Toen weer werk zoeken. De bazen zagen je aankomen. Waar bent u het laatste in dienst geweest? Wat zegt u? U hoort wel van me. Stapelgek was ik geweest, dat zeiden ze allemaal. Mijn familie was vermoord, dat moesten ze begrijpen. Ik zou ze wreken, al waren de nazi's nu verslagen. Ten slotte was alles de schuld van het kapitalisme. En juist ik bij een bank. Een vriend die ik in de oorlog had geholpen gaf me een getuigschrift, hij had een fietsenbedrijfje. 'Schrijf zelf maar op wat er in zo'n brief moet staan,' had hij gezegd. Oom Dirk, de aangetrouwde neef van Liesj es moeder, was personeelschef bij de Mammoeth-bank geweest, en hem mocht ik als referentie opgeven. Ze namen me aan zonder zelfs te informeren, al was ik soms bang dat ze zouden ontdekken dat ik voor de revolutionaire partij had gewerkt. Bang? Ja, dat is een goed woord: bang. In mijn broek deed ik het. Ik had mijn gezin, een vrouw en twee kinderen. Daar had je wel eerder aan mogen denken, zeiden ze soms tegen me, maar wat wisten de mensen ervan? Dooie pieren. Of ze dachten alleen aan hun vaste betrekking met een pensioentje, of
145