3 Geboorte
Van je rom-bom-bom, van je rosse-bosse-bom, zong ik, en steeds opnieuw: van je rom-bom-bom, van je rosse-bosse-bom.
Wessel, onze jongen, straalde, zijn zwarte ogen schitterden onder zijn donkere kop met haar, en hij gunde mij geen ogenblik rust.
Ik hield hem stevig onder zijn oksels vast, terwijl hij bovenop mijn opgetrokken knieën zat, en slingerde hem heen-en-weer, omhoog-omlaag, omhoog-omlaag, van-je-rom... naar het voeteneind van het bed, bom-bom-bom, tot boven mijn hoofd.
Die jongen was onvermoeibaar, ongelofelijk wat was hij sterk voor zijn vier levensjaren. Daar had hij dat breukje misschien zelfs door gekregen. Toen wij niet opletten had hij geprobeerd de teil met badwater op te tillen, en het was hem nog gelukt ook. Ik was naar hem toe gerend, en wilde niet laten merken hoe ik was geschrokken. Gelukkig was hij helemaal hersteld van de operatie. Een weekje in het ziekenhuis, zo voorbij, maar toch... die aap van een jongen. Als peuter op de mannenzaal. Soms kwam er iemand bij uit de narcose, steunend en rochelend, en wat moest er in zo'n ventje dan niet omgaan? Kwamen we bij hem op bezoek, tranen in zijn grote, fluwelen ogen, aan de lange wimpers erboven bleven zij als kralen hangen.
Alle goeie dingen komen in drieën, vertelden ze, vergeet het maar. Als je in de puree zit, dan kun je er donder op zeggen... Bij de rechtercommissaris moest ik ko-
144