Wantrouwig keek Elsje haar aan. Zij was ziek, lag met roodvonk te bed, al een week lang.
Toen stond ik 's avonds bij Liesjes moeder aan de deur, voor de zolderkamer boven, klopte tot zij opendeed, rillend uit bed gekomen, een ochtendjas omgeslagen.
'Wat is er, mijn jong?' vroeg zij verbaasd, en ik wist het niet meer, was zo naar boven gerend zonder erbij na te denken, had haar alleen willen vertellen, ja, wat ook weer? Dat zij een groot hart droeg, en de plaats was gaan innemen van de hele familie die niet was teruggekomen uit de oorlog, dat we allemaal zo blij waren dat zij er wél was en razend veel van haar hielden. Dat ik altijd moeder tegen haar zou zeggen. Zo stond ik te stotteren voor haar geopende deur, en zij antwoordde zachtjes, verlegen bijna, dat het goed was, dat ik weer naar beneden moest gaan.
Op mijn tenen liep ik de trap af, in het donker omdat niemand mij mocht zien, opende de deur van mijn ouderlijk huis met onze eigen sleutel die moeder mij had gegeven en toch als inbreker, want ik mocht ons eigen huis dat door de nazi's was verzegeld en waaruit zij alles zouden weghalen, niet meer betreden. Ik zocht naar de portretten van de familie. Van waarde lag er niets meer in de laden van het dressoir, door een Schalkhaarder doorzocht en gepulst. Alleen de klok hing er nog, de klok door vader zelf altijd opgewonden met een grote sleutel, de houten klok die daarna met een glasdeurtje werd toegedekt, en uit twee delen bestond: boven het uurwerk, beneden de koperen slinger die elk kwartier het slagwerk liet gongen. Ik tilde hem voorzichtig van de wand, toen begon hij te slaan, een keer, nog eens, en de koperen galm bleef de kamer vullen, werd steeds luider zodat de bene-
139