had willen gaan?
De sjaletpot, een verstokte roodharige vrijgezel, een ontevreden trek over zijn bleek gezicht, zeurde uren achtereen, en was niet uit de schoenmakerij weg te slaan.
'Waarom gaat u niet naar Palestina? Daar zijn schoenmakers nodig. Uw reis wordt betaald. Voor u en uw gezin.'
Ik hoopte dat vader 'ja' zou zeggen.
'Waarom zou ik hier weggaan?'
'Daarginds hebt u geen last van risjes,' herhaalde de sjaletpot elke keer als hij erover sprak.
'Daar merk ik hier ook niets van.'
Vader niet, nee, hij was een grote man, als je kind was scholden ze je vaak genoeg uit. Tegen een andere zeiden ze kelerelijer als ze kwaad waren, tegen jou: smousie. En als je dat wilde voorkomen, moest je van alles slikken, vriendelijk voor ze zijn, zorgen dat ze nergens kwaad over konden worden, dan wou vader immers dat ik ging vechten. Dat hoefde in Palestina tenminste niet.
Het ging vader vervelen, hij wilde aan het werk.
'Al die joden bij elkaar,' merkte hij sarcastisch op, terwijl hij feitelijk wilde zeggen: 'Met mijn christenklanten kan ik het net zo goed vinden.'
'Je bent mijn liefje,' zei Liesjes moeder met warme stem tegen Elsje, en bukte zich over haar ledikantje. Zij was net binnen komen stappen, gebracht door een bus met vrouwen uit Ravensbrück, die enige maanden in Zweden voor herstel hadden doorgebracht.
'Je bent mijn liefje,' herhaalde zij, maar Elsje keek verstoord, begon te huilen, omdat een vreemde vrouw haar uit haar slaap had gewekt.
'Het is oma, omaatje, weet je wel, waar we je van hebben verteld,' zei Lies, en knuffelde haar.
138