je dat kantoorwerk? Je krijgt voortdurend het nieuws onder ogen.'
Het scheen alsof zijn woorden niet tot mij doordrongen, alles had immers zijn zin verloren. Maar hij liet me testen en ik werd overgeplaatst naar de documentatie, waar ik buitenlandse kranten las en gedachtenloos aantekeningen maakte voor het archief.
Voor het eerst sinds jaren ging ik naar de Joodse Begraafplaats in Diemen, om het graf van mijn zusje te bezoeken. Alle grafstenen waren in opdracht van de nazi's omgegooid. Zelfs op de doden hadden zij wraak genomen, uit angst voor de geesten die zij zelf hadden opgeroepen. Ik liet de steen herstellen, er de namen van mijn ouders en Mark bijschrijven, 'door de nazi's gedeporteerd en vermoord'. De Joodse Gemeente weigerde een dergelijk onderschrift.
En nog steeds was Liesj es moeder niet teruggekomen.
Om beurten gingen wij naar de achterkant van het Centraal Station, waar mannen en vrouwen aan lange tafels zaten om terugkerende Nederlanders op te vangen, uit concentratiekampen en gevangenissen.
Uit het station kwamen twee joodse soldaten uit Palestina. Ik had ze nooit eerder gezien. De blauwe Davidsster op hun revers nam alle twijfel weg. En terwijl ik naar ze keek voelde ik me een ogenblik blij worden, opgelucht, en was verbaasd over mij zelf die geen zionist was. Een eigen joodse staat, alsof in het jood-zijn je heil lag. Als dat in de oorlog niet was gebeurd, had het joodzijn helemaal niet meer voor me geleefd. En toch was ik blij om die twee jongens die zich niet hadden laten afslachten, en niet weerloos waren omdat zij wapens droegen, al waren het niet de wapens van de revolutie waarin ik geloofde.
Zou de familie nog hebben geleefd, als vader destijds
137