geen Duitse soldaten bij de IJ-pont stonden. Die moesten leven van wat ze zelf in beslag namen sinds ze waren ingesloten: in het oosten door de IJsel, in het zuiden door de grote rivieren, waar al geen Duitsers meer waren, van alle kanten verjaagd. Wat een tegenslag dat juist bij ons de bezetting het langst duurde.
Als er gecontroleerd werd, zou je het in de verte ongetwijfeld kunnen zien. Dan zou ik me omdraaien en met de Valkenwegpont oversteken, en anders fietste ik terug, maar afwachten hoe het verder liep. Lies wist dat ze zich niet ongerust moest maken als ik vandaag niet thuis kwam. Misschien kon ik in Nieuwendam slapen, bij een nicht, al zou ze vreemd opkijken. En als er niets anders overbleef, had ik een glazen buisje met cyaankali in mijn broekzak, weliswaar voor een andere noodtoestand aangeschaft, maar je kon nooit weten waar het goed voor was.
Ik joeg op mijn rammelende fiets door de Van der Pek-straat, langs het Tolhuis naar de pont. lWe gaan naar 't Tolhuis, meid, daar vind je aardigheid,' zong vader vroeger. Dat me dat nu inviel. Hoe zou het met vader zijn? Het kon niet lang meer duren. Hij kwam er wel door. Zijn hele leven had hij hard moeten sappelen, en meer dan werken kon hij niet. De klep van de pont lag nog op de IJ-kade gespreid. Als ik voortmaakte...
Toen ik langs de soldaat reed, draaide hij zich plotseling om, greep mijn fiets van achteren stevig beet.
'Ausweis,' vroeg hij nors. Een gewone soldaat, een jaar of vijfenveertig oud, wat moest hij met mijn persoonsbewijs? Ik haalde mijn valse kaart uit mijn binnenzak, hield hem die voor.
'Schon gut,' antwoordde hij nonchalant, terwijl hij me even opnam.
'Und was hast du...' hij wees naar mijn fietstassen.
129