De boer keek mij van diep onder zijn stoppelige wenkbrauwen aan, en ik keek terug, zoals wij als kinderen deden, elkaar aankijkend net zolang tot een van de twee de ogen neersloeg, en ik gaf het nooit op, anders beweerden ze dat je een slecht geweten had. De man keek ernstig, en zag er sympathiek uit, niet gemeen, niet achterdochtig...
'U móét me helpen,' zei ik indringend, 'ik kan niet nog verder van huis, dan moet ik onderweg blijven slapen en dat is veel te gevaarlijk voor me, ik ben een jood en moet proberen weer heelhuids thuis bij mijn vrouw en dochtertje te komen. Ik heb een pak lucifers voor u, en u moet me ervoor teruggeven wat het u waard is.'
De man schopte zijn klompen uit, liep op zijn sokken naar de keuken, bleef zachtjes praten met zijn vrouw. Toen riep hij me binnen.
'Ik zal u er een halve kaas voor geven,' zei hij, 'een fles melk, en mijn vrouw zal wat groenten in uw fietstassen stoppen.'
Een vliegtuig scheerde laag over zonder dat erop werd geschoten, en dropte levensmiddelen op een weiland in de verte. Het scheen echter of er niemand was om het op te rapen, en als het wél gebeurde, wanneer zou het worden verdeeld, en hoeveel zouden we ervan krijgen? Liesje kon vast niet geloven wat die boer allemaal voor de lucifers had gegeven. Het was een groot geluk dat ze de laatste tijd bloedplasma had gekregen, van een psychiater die bij het doktersverzet was, ze hadden het gepikt van de wehrmacht, en hij was het spontaan komen brengen, een keer, vaker. Het zag eruit als dril en stonk naar vis, maar veranderde in eiwit zodra je het bakte.
Nog twintig kilometer, dan was ik in Amsterdam. Met vlug fietsen kon ik over twee uur thuis zijn. Als er maar
128