Het was niet meer dan drie minuten lopen, en al was het drie uur tippelen geweest, dan nog zouden we zélf de boel hebben moeten oversjouwen, want waar was een verhuisman te vinden? Wie nam nog het risico, een houten handkar te verhuren? Wij bleven staan om uit te rusten, in de door de vrieskou dor-droge straten, bij de stronk van een omgezaagde boom, bij een hoop vuilnis, vastgevroren en witbesneeuwd, bliezen in onze verkleumde handen, en grepen de stoelen weer, twee omgekeerd op elkaar, de zittingen apart. De boeken in een kinderwagentje, dat piepte als het door het twaalfjarig halfbroertje van Lies werd voortgeduwd; de rode boeken, we hadden ze nog, had ik al eerder overgebracht. Louis, de buurjongen van de trap, hielp bij het sjouwen van het blankhouten dressoir, huwelijkscadeau van Lies-jes moeder en haar tweede man. De jongen hield het geen tien meter vol, en dan bleven we weer rusten. Meeuwen vlogen krijsend over, loerend naar een bijt in het ijs van de kade om de hoek, scheten op ie hoofd als je niet uitkeek. Dat het zó koud moest worden. Net als de eerste oorlogswinter in militaire dienst, net als de tweede toen de Duitse legers voor Moskou en Leningrad vastliepen, net als de derde, de winter van Stalingrad.
'Hebt u de benedenbuurman gisteravond horen lachen?' vroeg de jongen, en ik antwoordde aarzelend 'ja.' Daar kon je beter met zo'n kind niet over spreken. De man had een lachbui gekregen zonder directe aanleiding, en was blijven lachen, vijf minuten, een kwartier lang. De buurvrouw had zich geen raad geweten, hem water in zijn gezicht gegooid en zelfs een tik voor zijn wang gegeven zonder dat het hielp. Ze had mij erbij geroepen en ik schudde hem door elkaar, had tegen hem geschreeuwd, maar hij was niet tot bedaren te brengen, hoe paars hij ook zag. Ten slotte had ze de dokter erbij geroepen. Men
IIÓ