O RD E B E WA ARD E R
Jarenlang had ik ervan gedroomd eens in de zesde klas te zullen komen.
En nu was het zover. Als een giraffe keek ik neer op de mussen en spreeuwen in de lagere klassen, die tot een andere wereld behoorden. Wij uit de zesde gingen immers de grote wereld in aan het eind van het schooljaar; moeilijk was alleen de keus die je moest doen. Voor mij althans, want sommige kinderen wisten nauwkeurig wat zij wilden worden.
'Salomon, wat zijn jouw plannen?' vroeg de meester mij.
Ik wist het niet. Ik wist het waarachtig niet. Ik wist slechts dat het dom was om het niet te weten en dat het nog dommer is daarvoor uit te komen. Een jongen uit de klas werd machinebankwerker, zijn vader werkte bij de Scheepsbouw en hij wilde hetzelfde worden. Wat was dat, machinebankwerker? M.B., zeiden de jongens trots tegen elkaar, want verschillende van hen wilden die kant uit op de ambachtsschool.
'Timmerman, meester,' antwoordde ik zonder er verder over na te denken. Iets moest je toch worden, en van dat vak wist ik tenminste wat het behelsde.
'Laat je vader eens met me komen praten.'
Thuis aan tafel vertelde vader wat meester had gezegd, maar eerst moest de poes van tafel met zijn smerige poten, en dus gaf vader hem een duwtje onder zijn togus.
'De meester vindt het zonde,' zei vader en nam een hap van zijn boterham. Hij kauwde tot zijn mond leeg was zonder verder te praten.
Ik volgde elke hap, keek naar het zwart in het eelt van zijn handen en vroeg me als zo vaak af of je het niet in je boterham mee opat. Het ging er niet af, niet met puimsteen
97