kouden bent en je neus niet hebt gesnoten. Maar op die dingen let moeder wel, bang als ze is omdat we jidden zijn.
Toen tuurde hij in mijn ogen. Hij trok mijn oogleden omlaag en ik moest scheel kijken. 'Schelen zijn de mooiste niet, en mooie schelen zijn er niet,' dacht ik, stiekem natuurlijk, zulke dingen kun je niet tegen een dokter zeggen.
'Lees nog eens hardop,' beval hij, en wees een letter aan op het kartonnen bord aan de muur. Jammer dat ik er niet op had gelet, anders had ik goed gekeken toen ik er vlakbij stond en de letters uit mijn hoofd geleerd. Nu moest ik wel raden.
'Vreemd,' zei de dokter tegen de schoolzuster, 'zijn ogen zijn slechter geworden sinds vorige keer. Mag ik je bril eens zien?'
'Hij heeft er geen meer, dokter,' antwoordde moeder in mijn plaats. 'Als hij ze niet verliest maakt hij ze wel kapot. Tien heeft-ie er geloof ik al gehad, als het niet meer is. Daar kan mijn man niet tegen werken.'
De schoolzuster die erbij stond had nog steeds niets gezegd en alleen maar opgeschreven wat de dokter dicteerde: mijn gewicht, mijn lengte, weisj viel. Nu trok ze mijn kin omhoog, keek me streng in de ogen en vermaande: 'Wil je later blind worden?'
'Nee zuster,' antwoordde ik schuchter en nam me heilig voor voortaan heel zuinig op mijn ogen te zijn. Blind, welk kind wil er nou blind worden?
96