was, zoals vader het noemde. Hij zei dat het tenminste niet zo vervelend was als een doorsnee partij blaadje of de krant van het weibersjoeltje De Proletarische Vrouw. Daar had hij gelijk in. Een kinderverhaal stond erin, zo kinderachtig als de pest. De Notenkraker, daar had je wat aan. Voor de hele beweging, ook de mensen in het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, en daar was vader secretaris van. Afdeling 10.
Met het schillenmesje sneed opa voorzichtig de katern open die bij De Notenkraker was gevoegd. Als er maar niets aan het mes zat, anders kwamen er vlekken op het papier. Zodra ze hem bij opa allemaal gelezen hadden, kregen wij hem. Van Merijntje Gij zen. Hartstikke goed.
Eigenlijk was het geen kinderboek en toch mocht ik het lezen van vader, en niet stiekem, zoals andere feuilletons. Dit niet hoor. Je lachte je een mikkie om de woorden die erin stonden. 'Ge zijde vernükt' bijvoorbeeld. Dat zegden we tegen elkaar, Maurits en ik. Daar snapten die grote mensen toch niks van. Of 'schetentrekker', dat zei Flierefluiter tegen Merijntje toen hij aan zijn vinger moest trekken omdat hij zelf een keiharde wind liet. Dat deed ome Joop ook. En dan liep hij hard weg en kneep in zijn neus, alsof jij hem had gelaten. A.B.K. was ook goed. Kleerekooper heette hij eigenlijk en hij was verlamd. Elke dag schreef hij een stukje in Het Volk, 'Oproerige Krabbels', en vader las het na het eten voor. Vaste prik. Hoe A.B.K. het allemaal verzon, daar had je geen idee van, en rijmen kon hij ook goed.
Zou opa dat liedje van hem kennen, voor de verkiezingen? De tofele... nee, de katholieken moest je zeggen, anders versprak je je als je eens niet met jidden onder elkaar was, zulke woorden waren er meer, waar had ik het ook weer over, oh ja, of opa dat liedje kende over die leider, hè, hoe was zijn naam nou, goed, als ik de woorden hardop zei kwam het wel weer naar boven: '...moest die man niet in Rome, bij
91