we naar de kant moesten, roeiden we het riet in. Links en rechts van ons zag je rietpluimen waar we altijd fakkels van maakten als ze een nacht in de peterolie hadden gelegen, of waarvan we sigaren maakten, net echte, die rook verspreidden zonder dat je het naar binnen kon zuigen. Pijpelullen noemde de boer ze. Hij knakte een bos ervan voor me af om mee naar huis te nemen.
Toen sprong de schillenboer aan land. Het bootje wankelde. Hij reikte me zijn hand, trok me aan de kant, waar ik met een voet diep in de blubber wegzakte.
'Nou ga je naar huis, zeun. Ik ga een uurtje dutten.'
's Middags slapen, wie deed dat nou? Zou hij het voor mij zeggen, om me kwijt te raken? Waarom had hij me dan meegenomen?
De boer scheen mijn aarzeling te merken.
'Weet je dat ik om vier uur al op was?'
Mijn schoenen klosten over het houten bruggetje dat van de boerderij naar de weg voerde. Als je in de sloot duvelde was je mooi groen van al het kroos. Mijn handen omklemden een geweldige bos rietfakkels, voor al mijn vriendjes een, en dan bleven er nog een heleboel over. Dan konden we ze samen oproken. Voordat volgende week de school weer begon.
79