bel wor-ik van jullie. Altijd hetzelfde. Hij heeft een groter stukkie dan ik. Toen jullie nog jeletjes waren was het al zo. Kreeg de een iets, dan moest de ander het ook hebben.'
Met de broodbezorger meelopen, de bakkerskar duwen, dat kon Maurits gelukkig nog niet. Als je een ochtend had meegesjouwd kreeg je een krentenbolletje. Werd je te moe dan kon je wel eens een beetje smokkelen, want voor de kar liep hijgend een trekhond, met zijn tong uit de bek, gemeen was het wel om het beest alleen te laten zwoegen, je merkte het meteen omdat het dan plotseling langzamer ging en ook de bakker had het onmiddellijk door. 'Daar heb ik krek niet veel aan,' zei hij dan, keek nors en begon mee te duwen.
Het mooiste was als de bezorger de deksel van de kar liet dichtvallen. Dan trok hij even aan de dubbele beugel die dichtklapte als een scheermes en het deksel geen steun meer gaf. Knal. Gauw je hand ertussen uit. Dat hij er nooit met zijn vingers tussen kwam... Ik zou het best wel eens willen proberen.
Twee dagen kreeg ik een krentenbolletje, de derde dag niet meer omdat een andere jongen uit een andere buurt ook ging meehelpen. Zijn moeder was zeker een betere klant van de bakker, en wat kun je daar nou aan doen?
Toen ik thuiskwam zat de schillenboer bij ons binnen. Moeder was goeie maatjes met hem, omdat hij wel eens wat voor een bezolletje aan haar verkocht: groente van de boerderij, eieren, wortelen, vooral wortelen, in paardewortelen was hij gespecialiseerd.
'Zo zeun,' verwelkomde hij me. Zeun, dat zeiden de Oost-zaners allemaal, of neef. Toen richtte hij zich weer tot moeder: 'Je hebt er geen flauw benul van wat de mensen tussen de schillen laten zitten. Scharen, aardappelmesjes, lepeltjes, zo gek kan je het niet bedenken. Ik haal het er natuurlijk uit,
7 6